Weidevogelbeheer adviezen rondom veldwerkzaamheden
De onderstaande ‘Kalender weidevogelbeheer’ geeft inzicht in de momenten van wanneer waar een weidevogel aanwezig is, met welk doel en welke werkzaamheden wel of niet wenselijk zijn.

Naast de beheerpakketten, welke mogelijk zijn t.b.v. de weidevogels, zijn er dan ook enkele adviezen te formuleren, welke hopelijk voor een deel inpasbaar zijn binnen de veldwerkzaamheden. Deze zullen de overlevingskansen van de weidevogels zeker te goede komen.

Maaien
De maaiwijze bepaalt voor een deel de overlevingskans voor weidevogelkuikens en ook die van nog niet gevonden nesten. Wanneer er toch gemaaid moet worden, streef er dan naar om de maaiwijze af te stemmen op de weidevogels die op het perceel aanwezig (kunnen) zijn. De voorkeur geniet dan ook om:
• Overdag te maaien, ’s nachts of in de schemering ziet u de opschietende weidevogels slecht tot niet welke kunnen wijzen op aanwezige kuikens of legsels;
• Te maaien van binnen naar buiten, zo hebben de aanwezige kuikens meer tijd om naar de randen van het perceel weg te vluchten;
• Een maaier met geringe werkbreedte te gebruiken, zo hebben de kuikens welke u over het hoofd ziet meer tijd om te vluchten naar de randen, en het geeft u meer overzicht om nog aanwezige legsels te signaleren;
• Een wildredder te gebruiken; zo vliegen de weidevogels eerder op en is het voor u zichtbaarder waar een mogelijk legsel ligt en of kuikens aanwezig zijn;
• Niet te snel te maaien; zo hebben de kuikens wederom meer tijd om te vluchten, en u om mogelijk nog aanwezige legsels te signaleren;
• Eerst een baan te maaien en daarna het perceel te verlaten. Wanneer u later terug komt zullen de meeste weidevogels vanwege de ontstane onrust met hun kuikens uit het perceel zijn gevlucht;
• Niet in combinatie met een kneuzer te maaien, zo hebben de gemiste kuikens welke boven op het gras zitten meer kans om de maaibeurt te overleven;
• Slootkanten te laten staan, zo hebben de gevluchte kuikens meer tijd om naar het aangrenzende perceel te vluchten of om juist in de slootkant te blijven zitten. De kuikens hebben dan in de slootkant nog enige bescherming tegen predatoren ondanks dat de rest van het perceel gemaaid is;
• In een mozaïek te maaien waarbij naast elkaar gelegen percelen of delen van grote percelen met tussenpozen van een week of meer na elkaar gemaaid worden, zo hebben de weidevogels altijd voldoende schuilgelegenheid en foerageergebied.

Uitvlaggen voor maaien en nog gevonden legsels
Voorafgaand aan het maaien kunnen verschillende maatregelen getroffen worden voor de bescherming van de aanwezige nesten en het zo veilig mogelijk wegleiden van de aanwezige kuikens, namelijk door:
• Het markeren van de nesten en het laten staan van een blok van minimaal 50 m2 gras rond een nest, zo hebben de nesten ondanks dat het perceel gemaaid is nog enige bescherming om zich heen;
• Het plaatsen van vlaggenstokken ca. 24 uur voor het maaien om de kuikens uit het perceel te verjagen, zo hebben de aanwezige kuikens ruim de tijd om te vluchten en is er minder kans dat er tijdens het maaien nog kuikens gevonden worden en/of sneuvelen;
• Laat, bij maaien in het broedseizoen, stroken gras (kuiken- of vluchtstroken) staan voor directe dekking na het maaien en plaats deze zo dat jonge kuikens veilig kunnen migreren naar kuikenland.

Weidevogels hebben de grootste kans op broedsucces in laat gemaaid grasland. Maai, om rekening te houden met de belangrijkste weidevogelsoorten, het gras niet eerder dan 15 juni en in schrale graslanden pas in juli of augustus. De praktijk wijst uit, dat een ‘vogelgestuurde’ maaidatum het meest effectief is. Dat wil zeggen dat pas gemaaid wordt als de nesten zijn uitgekomen en de kuikens vliegvlug zijn.

Voor succesvol broeden is een rustperiode van minimaal 8 weken nodig (3-4 weken eieren leggen en broeden, 4-5 weken tot kuikens vliegvlug zijn). De broedseizoenen van de verschillende soorten liggen echter behoorlijk uiteen. De kievit begint eind maart al met het leggen van eieren, de kuikens van de kemphaan vliegen op z’n vroegst eind juni. Sommige soorten zoals watersnip en veldleeuwerik zijn nog later.

Beweiden i.p.v. maaien
Voor veel weidevogels is het gunstig als grasland regelmatig beweid wordt. Dat geeft meer structuur aan de vegetatie dan alleen maaien. Ook heeft beweiden de voorkeur boven maaien, doordat er meer schuilgelegenheid blijft bestaan en het risico op verlies van nesten en kuikens is vele malen kleiner. Daarnaast hoeft er bij beweiding naast het beschermen van de nesten met een nestbeschermer geen extra ingrepen uitgevoerd te worden om de nesten en kuikens te beschermen. Ook zullen weidevogels met kuikens juist de percelen waar beweid wordt opgezocht worden vanwege de variatie in vegetatie en de bescherming welke de aanwezige bijvoorbeeld runderen of schapen bieden.

Ruige stalmest uitrijden

Een goede bodemkwaliteit zorgt voor veel voedsel in de grond waar de weidevogels van profiteren:
• voor adulten vooral regenwormen en emelten;
• voor kuikens (insecten)larven.
Een goede bodemkwaliteit zorgt voor de open, structuur-, kruiden- en insectenrijke vegetatie, die essentieel is voor de kuikens. De indicatorsoort voor een goede bodemkwaliteit voor weidevogels is gewoon reukgras.

Het bemestingsmoment bepaalt voor een belangrijk deel de stikstofbeschikbaarheid voor het gewas gedurende het vroege groeiseizoen. Een vroege bemesting met snel beschikbare stikstof brengt de grasgroei al snel op gang. Dit vergroot de kans dat het gras in juni te lang is om als geschikt kuikenland te dienen. Daarnaast geeft het uitrijden van mest gedurende het broedseizoen het risico op het vernietigen van nesten, eieren en kuikens.
• Gebruik snelle meststoffen zoals drijfmest en kunstmest daarom pas na afloop van de kuikenperiode: juni/juli.
• Gebruik langzame meststoffen zoals ruige mest kort voor het broedseizoen: februari/ half maart.
Naast dat ruige mest langzaam werkend is, en dus een te lang gewas rond 15 juni voorkomt zorgt het bovendien dat kieviten de strootjes kunnen gebruiken voor hun nest. Later vestigen soorten als grutto en tureluur zich ‘onder de vleugels’ van de kieviten. Strorijke ruige mest is een belangrijke factor voor de aantrekking van weidevogels.
Een beheerder kan, in het vroege voorjaar, de weidevogels enigszins ‘sturen’ door de ruige mest uit te rijden op de gewenste percelen waar hopelijk de meeste broedparen zich gaan vestigen. Het gebruik van ruige mest vergroot de voedselsituatie en de gewenste ‘pollige’ structuur.

Ruige mest moet zo vroeg mogelijk, bij voorkeur voor 15 maart, worden uitgereden.
Bemest daarbij bij voorkeur met vaste rundermest; dat is het meest effectief voor het stimuleren van het bodemleven. Vaste mest verdient de voorkeur boven drijfmest en kunstmest. Goede alternatieven zijn de dikke fractie van gescheiden drijfmest, paardenmest en groencompost.
Hanteer voor een gezonde bodemfauna een bemestingsniveau van 10-13 ton vaste runder-mest per ha per 1-3 jaar (op vruchtbare grond eens per 2-3 jaar, op minder vruchtbare grond ieder jaar).

Bron: Vogelbescherming
Let wel, bovenstaande informatie wijkt op sommige punten af van de pakketvoorwaarden voor de ruige mest vergoeding. Zie voor de juiste voorwaarden bij het pakket A07a Ruige mest.